Het is bekend dat verschillende bijwerkingen en risico’s van oestrogeenvervangingstherapie veroorzaakt worden door de invloed van het hormoon op de lever. Bij orale toediening houdt de versterkte werking op hepatische, in vergelijking met niethepatische, plaatsen vermoedelijk verband met het zogenaamde first-pass effect. Er zijn pogingen ondernomen om dit effect te vermijden door oestrogeen niet oraal toe te dienen, maar verhoogde levereffecten (vergelijkbaar met die van andere preparaten) zijn niettemin waargenomen bij zowel ethinyloestradiol als geconjugeerde paardenoestrogenen die vaginaal werden toegediend. Wij hebben een reeks onderzoeken uitgevoerd om de effecten te evalueren van oestradiol dat via een transdermale pleister wordt toegediend. In een onderzoek met 50 patiënten van transcutane oestradiol (25, 50, 100, of 200 microgram/dag) versus placebo, werd een dosis-afhankelijk gunstig effect op objectief gemeten opvliegers aangetoond. Een tweede onderzoek werd opgezet om de effecten van deze doses te vergelijken met die van 0,625 en 1,25 mg geconjugeerd oestrogeen van paardachtigen, oraal toegediend. Effecten op niet lever markers waren vergelijkbaar voor de 50 microgram pleister en 0,625 mg tablet, evenals voor de 100 microgram pleister en 1,25 mg tablet. Geen van de doses transdermaal oestradiol had een meetbaar effect op levermarkers van oestrogeenwerking, terwijl beide doses geconjugeerd oestrogeen een effect hadden op zowel de leverproteïne- als de vetsynthese. Onze gegevens tonen duidelijk aan dat de transdermale toediening van oestradiol de versterkte leverwerking van het hormoon omzeilt. Mogelijke verklaringen voor deze resultaten worden gepresenteerd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.